Gek hoe dat gaat met werk. Neem de deadline die voorschrijft wanneer iets klaar moet zijn. Dat iets (een taak) heb ik niet zelf bedacht, dat deed de organisatie voor me. Kennelijk is werk toch vooral meedraaien in het systeem. In eigenlijke zin ben ik dus niet degene die werkt, maar is het de organisatie die het werk doet. Ik ben alleen medewerker, en dat betekent niet meewerken in de zin van van samen de schouders eronder, maar het meewerken dat eruit bestaat dat ik niet tegenwerk. Dat ik geen oponthoud veroorzaak in de processen. Ik zorg dat het systeem niet hapert. Ik functioneer: going through the motions zeggen de Engelsen fraai. Mijn aanwezigheid (functie) moet ervoor zorgen dat de organisatie haar werk kan blijven doen.
Mannen met grote hamers
Er is iets aan de hand met het begrip werk. ´Werk, werk, werk´ dat Wim Kok
lanceerde toen hij premier was. Dat klonk goed, niet verontrustend. Kok nam
met de kreet zijn vakbondsafkomst mee. De jaren zeventig klonken erin door,
met de massale ontslagen als gevolg van de sluiting van de mijnen, de
ondergang van de scheepswerven, de sluiting van bedrijven in de
textielindustrie en de metaalindustrie en het opdrogen van de werkgelegenheid
die daar bij toeleverende bedrijven aan vast zat. De remedie was ´werk, werk,
werk´, de strijdkreet waarmee de dreiging van werkloosheid en maatschappelijk
verval zou worden gekeerd. De depressie van de jaren dertig spookte in het
collectieve geheugen. Werk was goed. Meer werk was beter.
Wat onder werk werd verstaan was duidelijk, zeker vijftien jaar geleden nog uit de mond van de Partij van de Arbeid-voorman. Het begrip had zijn betekenis vooral gekregen door de voorstelling ervan: het werk in fabrieken, op scheepswerven en in de mijnen. Het industriële beeld van werk. Dit was sterk gekoppeld aan degene die het uitvoert. Tot op vandaag de dag werkt dit beeld door: een krachtige man die een last op zijn schouders torst, met gespierde armen die door de opgerolde mouwen zichtbaar zijn. Verleden jaar gebruikten de politicologen, sociologen en economen van de Universiteit Antwerpen dit sociaal-realistische arbeidersbeeld om vakgenoten en beleidsmakers voor hun congres over werk te uit te nodigen. Wat is er mis mee? De Antwerpers zullen er toch wel van uitgegaan zijn, dat het industriële archetype van de arbeider duizenden post-industriële uitwerkingen kent? De call-centre medewerker om er maar eentje te noemen? Inderdaad, dat is zo. De moderne organisatie met haar ver doorgevoerde arbeidsverdeling heeft zich vertakt tot een functie-variëteit waarin ook die van de gespecialiseerde call-centre medewerker voorkomt. En zonder meer kan de ontwikkeling van die beroepen worden herleid tot de fabrieken en magazijnen van honderd jaar terug waar mannen met grote hamers sloegen en met zware zakken sjouwden.
Toch?
Er zit een aanlokkelijkheid in het beeld van de werker om vanuit zijn
positie naar werk te kijken. Een uitnodiging, want zijn we niet allemaal
werkers? Dankzij onze arbeid en onze inspanningen is de welvaartmaatschappij
waarin we leven tot stand gekomen. Toch? De opleidingsfunctionaris die de
call-centre medewerkster traint in hoe zij moet zeggen dat zij ook niet
begrijpt hoe zij uw probleem kan oplossen, behoort ook tot de hardwerkende
burgers die dit land draaiende houden. Toch?
Het manco van de opvatting om ‘wat werk is’ af te leiden uit ‘wat werkers doen’ zit hem in de miskenning van het fenomeen organisatie. Het heeft er veel van weg dat ‘werk, werk, werk’ in het kader van de organisatiemaatschappij een andere functie is gaan vervullen dan Wim Kok bevroedde. Werk heeft steeds meer de betekenis van baan gekregen. De twee worden als uitwisselbaar naast elkaar gebruikt, waarbij werk vaak als het meervoud van banen fungeert. Toch gaat het verschil diep. Waar werk in verband staat met werker, ontbreekt die relatie bij baan. Een baan kan niet meer herleid worden tot de werker zelf. De baan is afkomstig uit de organisatie. Plastisch uitgedrukt is de baan niet de organisatorische vorm waarin bestaand werk wordt gegoten, maar de plaats die de organisatie creëert en die vervolgens vol loopt met werk. Zo gebeurt het dat Agnes Jongerius, als voorzitter van de bond van alle werkers, in Nova kan komen vertellen dat ze afspraken heeft gemaakt over meer werk voor ouderen, jongeren, vrouwen, moeilijk bemiddelbaren of pas ontslagenen – zonder dat het in de twintig minuten dat ze aan tafel zit bij Clairy Polak ook maar enigszins gaat over wat voor werk er dan gedaan moest worden. Doet het ertoe? Kennelijk niet. In de optiek van de FNV gaat het niet om mensen die met hun kennis, kunde en vaardigheden een bijdrage leveren aan de economie, maar is de economie (in dit verband: de optelsom van alle organisaties) ervoor om werk te verschaffen aan mensen. Uit het niet doorvragen van Polak (noch enige andere journalist in een vergelijkbare setting), mogen we opmaken dat het klaarblijkelijk de algemene opvatting is: werk volgt uit organisatie, en niet andersom.
Er iets van zien te maken
Wat in het licht van deze maatschappelijke consensus onhoudbaar wordt is
de beschrijving (of zelfs definitie) van organisatie die veel hoogleraren
bedrijfskunde hun studenten inprenten. Als de organisatie het werk creëert
blijft er weinig over van de bewering van bijvoorbeeld Weggeman, hoogleraar
aan de TUE, dat een organisatie ‘niets meer, maar ook niets minder is dan een
groep mensen die elkaar gevonden hebben op het nastreven van
gemeenschappelijke doelen of idealen’. Dat is meer een omschrijving van een
zangvereniging of een fanclub. Een organisatie kent geen eigen doelen; een
organisatie is ingericht om opdrachten uit te voeren. Het is bevlogen dromerij
om te veronderstellen dat mensen door een organisatie worden uitgenodigd om op
vacatures te solliciteren teneinde hun doelen en idealen te realiseren. En
evenmin om elkaar te vinden en iets gemeenschappelijks te doen. Het eerste wat
in een organisatie opvalt is nu juist de afwezigheid van
gemeenschappelijkheid. Om u, lezer, persoonlijk op de huid te zitten. U zit
ook niet op een werkplek die u zelf hebt bedacht, neem ik aan. Hoe verhoudt u
zich tot Maarten Koning, alter ego van J.J. Voskuil, de hoofdpersoon van Het
Bureau? In deel 6, Afgang, realiseert Maarten zich ‘hoe hij het werk op het
bureau altijd heeft opgevat als plicht, waarmee hij geen eer mocht inleggen en
die hem zeker geen bevrediging mocht schenken. Het bureau is weliswaar even
zinloos als het leven zelf, maar omdat er geen ontsnapping mogelijk is moet
hij er toch maar iets van zien te maken.’ Terug naar u. Misschien herkent u er
niets van omdat u ondernemer bent en uw praktijk naar eigen voorkeur inricht.
Maar in geval u in dienst bent van een organisatie houdt de reflectie van
Maarten Koning (‘er iets van zien te maken’) wellicht meer verband met uw werk
dan de definitie van Weggeman. En in geval uw dienstverband een abrupt einde
vindt, hoopt u dat er een andere organisatie is die een baan voor u vacant
heeft of toegeeft aan de druk van de FNV om er een te creëren.
Het gaat er hier niet om de onopmerkzame stelligheden van de academische bedrijfskunde aan de orde te stellen. Maar alleen om aan te geven dat het concept organisatie aldaar nog goeddeels onontgonnen terrein is. Die constatering levert een interessant aspect aan werk op.
Brevet van goedkeuring
Werk: wat is dat? De leidende gedachte daarbij is dat de organisatie
degene is die werkt. Dat is tamelijk uitdagend wanneer je bedenkt dat daarmee
gesteld wordt dat het niet de individuele werkers met hun vereende
inspanningen zijn die maatschappij en economie draaiende houden. Nee, het is
de organisatie die het alleenrecht op werk heeft. En vanuit
organisatie-perspectief zijn mensen allesbehalve onmisbaar.
Het is een gedachte om verder uit te werken. Ze levert vragen op als wat mensen doen wanneer ze dagelijks worden geconfronteerd met hun misbaarheid en vervangbaarheid. Hoe verzetten ze zich hiertegen? Hoe gaan organisaties om met dit verzet?
En, wat is de rol van organisaties bij het het bestuurlijk houden van de samenleving? Komt daar de druk vandaan om iedereen van een baan te willen voorzien? Om alle burgers in organisatieverband controleerbaar te houden? Gaat het om de economisering van alle typen menselijke activiteit, teneinde iedereen rekening en verantwoording te laten afleggen over zijn tijdspassering? (Waar was u tussen 9 en 5?) Wat betekent productiviteit in dat verband?
Is er een wezenlijk verschil tussen loon en uitkering? Tussen een bedrijf dat uitkeert of de overheid (staat) die dat doet? De staat grondvest immers de organisatie van de samenleving; we noemen de samenleving maatschappij voorzover deze georganiseerd is; samenleving is het nog niet georganiseerde restant. De staat is de moederorganisatie die door wet- en regelgeving pachtvergunningen uitgeeft aan andere organisaties om inkomsten te genereren. In zekere zin zijn die allemaal uitvoeringsinstanties; uiteindelijk is de staat (of de maatschappij) de enige die werkt. Wat wij ‘werk’ noemen is het brevet van goedkeuring voor maatschappelijk gewenst gedrag.
Om werk te begrijpen moet je organisatie begrijpen, en organisatie begrijp je pas als je de staat begrijpt.
Werk, en niet het gezin is de hoeksteen van de samenleving. Vanuit werk wordt de samenleving omgevormd tot maatschappij. Als werk en gezin niet samengaan? Spijtig voor het gezin?
We zijn steeds meer vormen van activiteit en tijdspassering werk gaan noemen. Zelfs hangjongeren krijgen geld voor het verschijnen op de hangplek (ze werken ze aan 'veiligheid op straat' en zijn daarvoor honoreerbaar). Renteniers zijn de gerespecteerde beroepsgroep van beleggers geworden. Waar houdt werken op? Wat is nietsdoen?